1. De Baard van Daantje (1931)

omslag

Verteld en geteekend door Leonard Roggeveen.
Eerste druk: 80 blz.; ‘oude spelling’.
Drie illustraties van een hele bladzijde en 29 kleinere tekeningen.
Alle illustraties zwart-wit. Pentekeningen.

Twaalfde druk, 1954: 72 blz.; ‘nieuwe’ spelling;
Drie illustraties van een hele bladzijde en 23 kleinere tekeningen, waarvan ongeveer de helft hertekend is in vergelijking met de eerste druk.
Alle illustraties zwart-wit. Pentekeningen.

Vijftiende druk: zj., 67 blz. Illustraties van (Herman) Berserik.
Omslag: zwart-wit met rood en blauw-groen. Geïllustreerde schutbladen.
Acht illustraties van een hele bladzijde en 16 kleinere zwart-wit illustraties.
Alle illustraties zwart-wit. Potloodtekeningen.

Twintigste druk: 1972, 67 blz. Illustraties van (Herman) Berserik.
Omslag: In kleur. De geïllustreerde schutbladen zijn ingekleurd.
Zeven ingekleurde illustraties van een hele bladzijde, een zwart-wit illustratie van een hele bladzijde, zeven kleine ingekleurde illustraties en negen zwart-wit illustraties.
De illustraties in de twintigste druk zijn dezelfde als in de vijftiende druk.


Hoofdstukken

  1. Daantje    3
  2. Daantje en Grietje    5
  3. Zuurkool met spek!    8
  4. Een ongeluk    11
  5. Bij de barbier    15
  6. Nieuwe kleren!    19
  7. Meneer Alexander    24
  8. Teunis en Klaasje    29
  9. De Burgemeester    33
  10. Juffer Annemarie    38
  11. Bij Grietje    46
  12. In het dorp    50
  13. Gesnapt!!    53
  14. Een nieuw gedicht!    64

Op de baard van Daantje

Er staan veel sterren aan de lucht,
Toch is er maar één maantje.
Er zijn veel mannen in het dorp,
Slechts één ervan heet Daantje.

Vriend Daantje heeft een lange baard
Je kunt er wel in klimmen.
Hij wast hem veel met groene zeep,
Daar gaat hij mooi van glimmen.

Hij is drie decimeter lang,
Hij groeit recht naar beneden.
“Hij wordt steeds langer, ied’ren dag,”
Zegt Daantje, heel tevreden.

Er staan veel sterren aan de lucht,
Toch is er maar één maantje.
Er zijn veel baarden in het dorp,
De mooiste is van Daantje.

Alexander Guldemond


DE PERSONAGES IN DE BAARD VAN DAANTJE

    • Daantje … is een klein, dik ventje van zestig jaar
    • Grietje, zijn vrouw … is lang zoo dik niet als Daantje
    • een heer, toevallige voorbijganger zonder naam, maar met een schaar
    • Joris Jansen, scheerder, barbier in een naburig dorp
    • Meneer Alexander, de dichter, tegen de dertig
    • Teunis, Daantjes neef, knecht bij Jeroen de molenaar, zeventien jaar
    • Klaasje, Daantjes buurjongentje, vijf jaar oud
    • De burgemeester, naamloos, tegen de vijftig
    • Aaltje, het dienstmeisje van de burgemeester
    • Swadde, diender in Daantjes dorp
    • juffer Annemarie, de nicht van de burgemeester
    • boer Goemans
    • Aletta, de vrouw van de burgemeester
    • Dieuwertje, de vrouw van molenaar Jeroen
    • Sientje, buurvrouw van Dieuwertje
    • Jansje, buurvrouw van Daantje, moeder van Klaasje

Samenvatting
Daantje komt om twaalf uur ’s middags thuis en ziet dat de tafel nog niet gedekt is en dat Grietje niet staat te koken. Vroeger was het op het platteland de gewoonte om om twaalf uur ’s middags warm te eten.
Grietje vertelt Daantje dat ze zuurkool met spek eten en dat moet lang koken. (Alle groente werd vroeger lang gekookt.)
Maar Daantje lust geen zuurkool. Hij vraagt of Grietje een paar eieren voor hem wil bakken. Dat wil ze niet: zuurkool is een kostelijk, dat wil zeggen ‘gezond’ eten en Daantje moet eten wat de pot schaft.
Dat zint Daantje niet. Hij heeft honger en hij wil eten. Maar geen zuurkool. En geen spek. Hij wordt boos. Hij gaat naar buiten en slaat de deur met een bons achter zich dicht.
Hij loopt langs een weiland. Een grutto roept: gru-to, gru-to… Maar Daantje hoort: zuur-kool, zuur-kool. Een kikker kwaakt: rek-kek, rek-kek. Daantje hoort: met spek, met spek. Hij denkt dat de grutto en de kikker hem in de maling nemen en wordt nog bozer. Hij vindt een steen en gooit die naar de kikker. Maar o, wee… Hij struikelt en valt. Hij komt met zijn baard in het prikkeldraad vast te zitten.
kikker
Gelukkig komt er een heer langslopen die toevallig een schaartje in zijn binnenzak heeft. Hij knipt Daantjes baard los. Daar staat Daantje: zonder zijn mooie zijden pet die in de sloot gerold is, en zonder zijn mooie donkerblauwe jasje, dat door het prikkeldraad is gescheurd en met een gehavende baard. Hij heeft er spijt van dat hij geen zuurkool met spek wilde eten.

Wat nu? Hij is al aardig op weg naar het volgende dorp. Daar is een barbier. Die scheert de rest van Daantjes baard eraf. Nu loopt Daantje terug naar het dorp.
Op het land van boer Goemans staat een vogelverschrikker. Die zit nog aardig in de kleren. Daantje haalt ze eraf en trekt ze aan. Ze zijn hem een beetje te krap, maar het gaat net. En hij zet de hoed van de vogelverschrikker op zijn hoofd. Zo loopt hij terug naar het dorp.

Maar dat valt niet mee: Daantje zegt iedereen gedag, maar de dorpelingen herkennen hem niet.
De burgemeester herkent de kleren die het mannetje aan heeft wel: die zijn van hem! Hij had ze vorig jaar laten weghangen omdat ze niet meer passen. Dat betekent dat het onbekend mannetje ze gestolen heeft, al zegt Aaltje, het dienstmeisje, dat er niemand in huis geweest is.
Een dief! Een dief in het dorp!

Daantje loopt ondertussen naar huis, want hij heeft nu zo’n honger dat hij graag een bord zuurkool met spek wil eten. Grietje heeft de deuren op slot gedraaid. Daantje klopt aan. Grietje doet open. Ze herkent Daantje wel, maar ze wil hem een lesje leren. Ze zegt dat ze hem niet kent en doet de deur weer dicht.
De dorpelingen zien een vreemdeling en ze hebben het niet op vreemdelingen. En dan nog wel een dief! Het verhaal verspreidt zich razendsnel door het dorp. Het hele dorp raakt in rep en roer.
Een klerendief in het dorp! Alle vrouwen halen hun was binnen. En de molenaar verstopt de meelzakken.

Daantje loopt treurig door het dorp. Dan houden Swadde, de diender, en de burgemeester hem aan.
‘Hoe kom je aan die kleren?’ vraagt de burgemeester. ‘Die zijn van mij!’
‘Nee, die zijn van mij!’ zegt boer Goemans die er ook bij is gekomen. Goemans beweert dat hij die kleren een jaar eerder van een ‘oukleerkoop’ heeft gekocht.
En Aaltje bevestigt dat zij ze, met goedvinden van de burgemeester, heeft verkocht.
De burgemeester weet er niets meer van.

Als Swadde Daantje mee wil nemen naar het gemeentehuis rukt hij zich los en holt naar huis. Nu doet Grietje wel open en Daantje klimt meteen via de ladder naar de zolder. Daar trekt hij zijn daagse jasje aan en zet zijn daagse pet op en knipt van krantenpapier een baard.
Hij loopt weer naar beneden en houdt de baard onder zijn neus. Dan zien de burgemeester, Swadde, boer Goemans en Aaltje: ’t is Daantje!
’s Avonds komt meneer Alexander langs met een aangepast gedicht.


Burgemeester
Als je dit boekje herleest nadat je de andere boekjes hebt gelezen, valt op dat de burgemeester in dit boekje nog niet het karakter heeft dat hij later krijgt. In dit boekje is de burgemeester heel serieus.
Als hij het onbekende mannetje met zijn oude kleren ziet lopen heeft hij zojuist een brief geschreven aan de burgemeester van een aangrenzend dorp over het dempen van sloten en het kappen van bomen.
En Swadde de diender is dommer dan in de volgende boekjes. Hij vergist zich in links en rechts.
Tekst is auteursrechtelijk beschermd © E van Straten 2011.