2. Daantje gaat schaatsenrijden (1933)

Verteld en getekend door Leonard Roggeveen
Tweede boekje van de Daantje-serie, tiende druk; 72 blz.;
3 tekeningen van een hele bladzijde en 22 kleinere tekeningen


Hoofdstuk blz

  1. Sneeuw en ijs 3
  2. Twee dagen later 10
  3. In het dorp 15
  4. Daantje rijdt 19
  5. Drie oude kraaien 23
  6. Een ongeluk 27
  7. Narigheid 33
  8. Wat nu? 36
  9. Sterke mannen 44
  10. Mensen! 47
  11. IJsberen? 49
  12. Weer thuis 55
  13. O, Daantje 59
  14. De schaatsen 64
  15. Daantje en Grietje 70

Personen

  • Daantje
  • Grietje
  • de bakker
  • de melkboer
  • de meester
  • diender Swadde
  • de burgemeester
  • meneer Alexander, de dichter
  • de drie oude kraaien
  • Gijs de Blauwe, de stratenmaker en onkruidwieder van het dorp
  • boer Goemans
  • Jeroen, de molenaar
  • Abraham, de wagenmaker
  • Jansje, het dienstmeisje van meneer Alexander
  • Teunis, neef van Daantje, zeventien jaar

 

(…) Er loopt een mannetje door de sneeuw. Een klein mannetje. Een dik mannetje.
Een mannetje met een duffel aan en een ijsmuts op. Een mannetje met wanten aan zijn vingers!(…)
Dat mannetje heet Daantje!
Zestig jaren oud is hij.
Maar stevig! En gezond!
Nog nooit is hij ziek geweest. Nee, nog nooit! (…)


 

Eigenwijze Daantje gaat niet over één nacht ijs, maar wel over ijs van twee nachten.
Grietje is het er niet mee eens en ook de dorpsgenoten, die hij tegenkomt op weg naar de vaart, waarschuwen hem.
Daantje rijdt een heel eind weg, met de wind in de rug. Maar dan zakt hij toch door het ijs.
Hij ziet Gijs de Blauwe aan komen lopen. Gijs probeert Daantje op de kant te hijsen, glijdt uit en belandt ook in het water.
Gelukkig weten ze op de kant te klauteren.

Het is anderhalf uur lopen terug naar het dorp. En het begint ook nog eens te sneeuwen.
In korte tijd zijn Daantje en Gijs helemaal wit.
Dan komt boer Goemans langsrijden in zijn arreslee. Hij herkent Daantje en Gijs niet.
Hij ziet zelfs niet dat daar twee mensen lopen. Hij weet niet wat hij ziet!
Hij gaat rechtstreeks naar de burgemeester om te melden wat hij gezien heeft.

Dat de mensen in het dorp van Daantje niet nadenken blijkt overduidelijk uit het volgende fragment:
“O, meneer de burgemeester,” roept boer Goemans. Ik heb zoiets vreemds gezien, buiten ’t dorp, bij de vaart!”
“Wat heb je gezien, Goemans?”
“Twee levende dingen, meneer de burgemeester! Ze liepen en ze kropen en ze maakten geluid. En op ’t laatst kwamen ze me zowaar achterna!”
“Hum,” zegt de burgemeester. “Hum, hum! En wat waren dat voor dingen, Goemans?”
“Dat is ’t nou juist, meneer de burgemeester. Dat wéét ik niet! En daarom kom ik nou naar u toe, ziet u!”
“Ik zie ’t Goemans. Maar vertel eens: wat denk je er zelf van?”
“Niets, meneer de burgemeester. Helemaal niets!”

Swadde denkt dat het ijsberen zijn.
Samen met nog drie andere mannen gaan de burgemeester, Swadde en boer Goemans op berenjacht.
Boer Goemans heeft een dik touw bij zich, Jeroen de molenaar twee meelzakken, Abraham de wagenmaker heeft een knuppel.
En Meneer Alexander, de dichter, komt met een zak zout, want hij denkt dat je ijsberen kunt vangen op de manier waarop je vogeltjes kunt vangen: door zout op hun staart te leggen.

kraaien

Gelukkig loopt alles goed af: Daantje loopt niet eens een longontsteking op.
Wel ligt hij een week in bed.
En Meneer Alexander maakt natuurlijk weer een prachtig gedicht.
En als hij weer buiten loopt gaat hem dat toch niet zo goed af als voorheen. Zijn knieën zijn een beetje stijf.
Daantje realiseert zich dat hij te oud is om schaatsen te rijden en geeft zijn schaatsen aan zijn neef Teunis.

Tekst is auteursrechtelijk beschermd © E van Straten 2011-2015.