De podiumjaren van Leonard Roggeveen (3)

door Estella van Straten

Die Ghesellen van den Spele

Het toneel bleef trekken. Het is bekend dat Roggeveen op zeker moment in zijn jonge leven getwijfeld heeft over zijn ambitie. Wilde hij niet liever toneelspelen dan onderwijzen? (Bron: zie Podiumjaren 5, bronvermelding 1, pagina 8.)
De Westlandsche Courant was steeds enthousiast geweest over Roggeveens toneelprestaties.
Uit krantenknipsels in Roggeveens plakboek wordt duidelijk dat hij in het najaar van 1920, toen hij nog in ’s-Gravenzande woonde, zich had aangesloten bij het Haagse toneelgezelschap Die Ghesellen van den Spele. Dit gezelschap was opgericht door de jonge dramaturg Eduard Veterman (1901-1947) en bestond voornamelijk uit leden van de vereniging van jonge Haagse kunstenaars De Ploeg. (Zie: http://www.dbnl.org/tekst/_nie012200601_01/_nie012200601_01_0002.php)
Het was een semi-professioneel gezelschap of misschien beter: het was een gezelschap met professionele pretenties.
Mensen die deel uitmaakten van het gezelschap waren: Mien Tels, Jopie Kok, Alexis Meeussen, Lida Hoogenboom, Annie Lumvers, Elsa Kolinsky, Marie Netscher, Jan van der Linden, Johan Carpentier Alting, Otto Koch, Hans van de Woesteyne, Gerard Rutten (vader van Edwin), Leonard Roggeveen, Johan Lanen, Bob Spoelstra (A. den Doolaard), Jan J. Remmerswaal en Paul Korner. (Het Vaderland, 29 juli 1920.)
Het is niet bekend hoe Leonard Roggeveen in dit gezelschap verzeild is geraakt.

Veterman was ambitieus, maar hij was ook nog zeer jong. Het Vaderland van 29 juli 1920:
‘Op het repertoire komen voor werken van Shakespeare, Goethe, Molière, Marlowe, Euripides, Eduard Veterman, Simon Koster; twee oude spelen, een treurspel van Vondel, een van Gogol, e.a.; de titels zullen nader bekend gemaakt worden.’
Dat was nogal wat!

Die Ghesellen voerden twee stukken op. Roggeveen speelde in beide stukken mee, veel andere leden kwamen in geen van de stukken aan bod.

Op 25 oktober 1920 speelden ze in de Leidsche Schouwburg Gloriant, één van de twee in Het Vaderland genoemde ‘oude spelen’.

leidschdagblad20-10-1920

Leidsch Dagblad, 20 oktober 1920.


Daarna traden de Ghesellen nog drie maal op: op 3 november 1920 op in de schouwburg in Utrecht, 4 november 1920 in de schouwburg Hof van Holland in Hilversum, en op 22 november in Theater Verkade in Den Haag.

De recensent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant (27 november 1920) begon zijn verslag met citaten uit het boek van Dr Walch: Lijst van Nederlandsche tooneelstukken van 1400 tot 1900, waaruit blijkt dat hij van mening was dat de Esmoreit (een ander middeleeuws stuk, EvS) geschikter is voor dilettanten (amateurs, EvS) en dat de Gloriant moeilijker is en daarom door beroepsacteurs gespeeld zou moeten worden.
‘Tot welk van de twee categorieën hebben wij ’t gezelschap te rekenen dat gisteravond met dit middeleeuwsch spel in de Leidsche Schouwburg debuteerde? Wie, dicht bij het tooneelscherm gezeten, in de soms ietwat benauwend lange pauzes het druk en roezig gefluister en geloop achter dat scherm hoorde, of bemerkte met hoeveel ijver de souffleur – al was er geen souffleurshok ! – de vaak zenuwachtige spelers te hulp kwam terwijl aan de andere zij van het voetlicht de in grooten getale opgekomen vrienden en familieleden luider voor bijval zorgden, die werd onweerstaanbaar herinnerd aan de gemoedelijke genegenheid waarmee in deze zelfde zaal, de studenten-opvoeringen hebben, hetzij mooi of leelijk, steeds worden bewonderd en toegejuicht.
Toch, dilettanten in dien zin, zijn “de Ghesellen van den Spele” stellig niet. Als gewezen leerlingen van de tooneelschool waren zij – tenminste de meesten – de techniek van het vak wel machtig, hun dictie was duidelijk en het loopen en gebaren toonde zelfs telkens, onmiskenbaar, den invloed van rythmische gymnastiek.
Bovendien bleek de leider van het gezelschap, de heer Eduard Veterman, ongetwijfeld smaak en fantasie te bezitten; de vertooning had iets eigens, een eigen stijl; het was een knappe vondst om met deze primitieve geld-middelen zulke verschillende en vaak zeer bekoorlijke effecten te bereiken en waar de gewild hoekige bewegingen der spelers teveel aan wajangpoppen deden denken, riepen hun standen door datzelfde “hoekige” telkens gedachten op aan de primitieve figuurtjes op oude houtsneden.
Doch de bezielende adem, die dit alles leven in moest blazen, die deze bewegende poppetjes voor ons tot menschen maken moest, ontbrak. (…)
En zodoende was het stuk … vervelend; z’n naïve intrige, die, dunkt mij, het innig menschelijke van “Lanceloet” of “Mariken van Nimweghen” mist, vermocht niet te boeien; en de taalschoonheid van het middennederlandsch is aan den niet-geleerden toeschouwer, die al blij is als hij tusschen de onwennige woorden den draad weet vast te houden, zeker niet besteed.
Elk eerlijk streven van onze tooneelspeelkunst boven sleur en alledaagsheid te verheffen, verdient belangstelling; doch het is een bedenkelijke zelfoverschatting van jonge tooneelspelers om te meenen dat toewijding en goede wil voldoende zijn om een tooneelgezelschap te stichten en … in stand te houden.
Onder de Ghesellen van den Spele zijn ongetwijfeld die talent hebben. De heer Carpentier Alting, de heer Veterman zelve en wellicht ook mej. Tels (die met opmerkelijken zin voor lijn en kleur de costuums ontworpen heeft). Ik geloof dat zij dat talent èn de tooneelkunst beter zouden dienen wanneer zij hun krachten vooralsnog onder de leiding van een onzer bestaande gezelschappen stelden.’

De recensent van de NRC maakte geen melding van de verrichtingen van Roggeveen.

Het Leidsch Dagblad plaatste op 26 oktober 1920 de volgende recensie:
‘Wederom was de schouwburg bij het sinds eeuwen weer voor de eerste male ten tooneele brengen van dit middeleeuwssche “abel spel” slecht bezet. (…) gelooven we intusschen niet, dat een dienst is bewezen aan ons tooneelrepertoire, dit stuk weer te hebben opgegraven uit de vergetelheid, waarin het, behalve voor enkele intense beoefenaars der oude litteratuur, was weggezakt.
De opvoering in een, zij het bijzonder primitief gehouden maar daarom toch niet onaangenaam aandoend decor en in niet onwelgevallige costumes, getuigde van fantaisie, wat op zichzelf niet te misprijzen is. (…)
Speciaal bedoelen we het gemaniereerde bewegen der personen. Af en toe kon men in deze onnatuurlijke beweging iets zien aangegeven, b.v. het zachte wegsluipen enz., maar het werd o.i. te ver doorgevoerd. (…)
De dictie van het moeilijke oud-Nederlandsch viel te prijzen; blijkbaar was de beteekenis daarvan goed doorvoeld. (…)
De Floerant en hangdief, door Leonard Roggeveen gedoubleerd, hielden het midden tusschen caricatuur en werkelijkheid en waren wel te genieten.’

De recensent van Het Vaderland schreef op 27 oktober 1920:
‘De Gloriant is niet alleen een spel van jonge liefde, maar evenzeer van jonge kracht, die voor niets terugschrikt om haar doel te bereiken. Aan den Gloriant, zooals de heer Veterman hem uitbeeldde, zouden we dat zeker niet zeggen. In teedere oogenblikken gaf hij vaak stemming; maar hoe slap bleef hij, telkens als het er op aankwam zijn jonge mannelijkheid te toonen. (…)
Het was alles wezenlijk: te week en te zoetelijk. (…)
En de heeren Koch en Roggeveen als de poppenkastachtige, vervaarlijke sultan en zijn neef Floerant deden heel vermakelijk.’

utrechtsnblad02-11-1920

Utrechtsch Nieuwsblad, 2 november 1920.


De Ghesellen speelden de Gloriant op 3 november 1920 in de Utrechtse Schouwburg en op 4 november 1920 in de schouwburg Hof van Holland van Hilversum.
Positief was de recensent van het Utrechtsch Nieuwsblad, 4 november 1920:
‘De vertooning liet aanvankelijk veel hoopen. De proloog, gezegd door Eduard Veterman, was te onbewogen-pathetisch, er zat echter een streven in naar fraaie stileering. Maar hoe meer de voorstelling vorderde, hoe meer me duidelijk werd dat de geheele opvoering bij een streven, een experiment, gebleven was. (…) Naast het verfijnde gebaar een gemis aan gelaatsexpressie; naast een beschaafde dictie geen waarachtig sentiment. (…)’
‘Er zit meer toewijding in, meer liefde, daardoor meer warmte. (In vergelijking met het gezelschap Spelers van Stad en Land., EvS). Het is dan ook met nagenoeg onverdeelde sympathie, dat we gisteravond de verzen in het malsche Middeleeuwsch hebben hooren voordragen. (…) Leonard Roggeveen was uitnemend als Floerant, maar minder als de Hangdief. (…) Voor den Hangdief ware een andere snit van costuum aan te bevelen. Zijn lichaamsbouw leent zich minder voor tricot-hosen.’
Wat zou de recensent daarmee bedoeld hebben?

gooischepost03-11-1920

Gooische Post, 3 november 1920.


De recensent van de Gooische Post van 5 november 1920 was ook niet negatief:
‘Er was maar weinig publiek in den schouwburg Hof van Holland – Donderdagavond – om er het abel spel Gloriant van Die Ghesellen van den Spele bij te wonen. (…)
Zij hebben dit abel spel móói gespeeld, die Ghesellen. De dictie van de verzen, dat vloeyende, midden-eeuwsch Zuid-Nederlandsch, was gaaf, somwijlen van een ontroerende fijnheid, vooral bij Eduard Veterman als Gloriant, maar vooral ook bij Johan Carpentier Alting als Rogier; het leek herhaaldelijk te parelen van kleurrijkheid. (…)
Het acteeren bestond in een sober spel van wat langzame gebaren, zeer aanvaardbaar als bij het geheel behoorende noodwensigheid. En over dat geheel zijn wij voor ons werkelijk verrukt: wij beschouwen het spelen van dit abel spel als een artistieke daad, die buitengewoon de moeite waard is.’

Roggeveen wordt niet genoemd.

het-vaderland19-11-1920

Het Vaderland, 19 november 1920.

 


De Afgod
Al op 4 december 1920, enkele dagen na de Haagse opvoering van Gloriant, speelde het gezelschap in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag De Afgod, een stuk van Veterman zelf.
Een aankondiging of advertentie heb ik niet kunnen vinden.
Het Vaderland had er, op het decor na, geen goed woord voor over (5 december 1920):
‘Dat de dilettantisch lange pauzes van dit blijspel met, gelijk het program vermeldt, een “pantomimies preludium”, nochtans het amusantste van heel den avond zijn geweest, wijst ongetwijfeld in de richting waarin De Afgod gezien en beoordeeld moet worden: dilettantwerk. (…)
Echter kwamen Die Ghesellen bij de kunstrubriek aankloppen en vroegen zij zelf “per papieren brief” om een recensie. Is dit niet een weinig overschatting geweest, laakbaar wel is waar, maar toch ook alweer beminnelijk en een beetje vergeeflijk waar het èn zulk een jeugdig auteur-acteur als Ed. Veterman, èn zulke even jonge als onbeholpen medespelers betreft. Zoo zij nu met hun kracht en hun durf en hun geestdrift, zich en al hun vrienden en maten, die voor negen-tiende het publiek uitmaakten, een aangenamen avond bereid hebben, wat nood zoo dat zich wat critici verveelden.
Vermoedelijk hebben de spelers zelf contact opgenomen met Het Vaderland vanwege het falende PR-beleid betreffende de opvoering van De Afgod.
Dat echter de muze der echte tooneelspeelkunst buiten de deur is gebleven, is veel erger en vooral den schrijver als een fout aan te rekenen.
Het gegeven: (…), dat alles is zoo onnoozel en onbenullig, mist zoo zelfs de meest eenvoudige waarachtigheid, zoo alle intrigue en spanning, zoo allen groei en bloei, stuwende voorbereiding, spannende stijging en openbarstende ontknooping, dat alleen geroutineerd voortreffelijk spel van al de niets-om-het-lijf-hebbende dialogen en situaties misschien nog iets hoorbaars en toonbaars zou hebben weten te maken. Dat Die Ghesellen dit niet konden, zal niemand deze dilettanten-in-alles kwalijk duiden; wel dat ze ten slotte de pretentie aandurfden van een “echte” voorstelling te willen geven.
Te loven valt met nadruk het mooie, in zuivere tinten gehouden décor, met het fraaie room-geel Chinees aardewerk op de bruine buffetkast, en de decoratieve kussens. Aan het einde viel den spelenden een warm applaus toe en werden den drie voornaamsten eenige bloemstukken gereikt.’ 

nwerdamschecourant05-12-1920

Nieuwe Rotterdamsche Courant, 5 december 1920.


De Nieuwe Courant, ook een Haagse krant, datum onbekend:
‘Verder zag het tooneel er aardig uit. Zoo iets als een ultra modern schildersatelier. Het stuk was kort, de pauzes waren zéér lang, de groote over een half uur. (…)
Het spel was dat van jonge mensen, die nog alles te leeren hebben. Eduard Veterman zelf heeft genoeg levendigheid en zekerheid; maar meer goeds mag ik niet van hem zeggen. Het bleef beginnerswerk met al de onbeholpenheden daarvan. Misschien was Roggeveen (de boef) nog het verst gevorderd.’

Dat is opvallend, want Roggeveen was niet afkomstig van de Academie voor Beeldende Kunsten. Maar het was wel een opsteker voor Roggeveen.
(De recensie in Het Vaderland ontbreekt in Roggeveens plakboek, die uit de Nieuwe Courant heeft hij wel ingeplakt.)

De Afgod werd door de Ghesellen slechts één maal opgevoerd. De Gloriant kreeg welwillende recensies, maar de publieke belangstelling was beperkt. De recensies van De Afgod in Het Vaderland en De Nieuwe Courant waren vernietigend.
Het was vermoedelijk de doodsteek voor het gezelschap, want nadien is er niets meer over te vinden.

In de inleiding van een interview met Gerard Rutten in Het Vaderland van 17 november 1924 gaf F.S., (Frans Spittel, een jeugdvriend van Veterman en betrokken bij een ander project van Veterman, n.l. het maandblad Het Kouter van de Vereeniging van Jonge Kunstenaars De Ploeg) een aardig inkijkje in de werkwijze van de Ghesellen:
‘Hij (Rutten, EvS) behoorde tot de leden van dat ondernemende groepje leerlingen der Academie van Beeldende Kunsten, dat in Jan. 1920 in den Koninklijke Schouwburg een opvoering gaf van Zonde, een treurspel in 5 bedrijven door Eduard Veterman. Een groepje, later omgezet in “Die Ghesellen van den Spele” dat in October van datzelfde jaar in Leiden Gloriant opvoerde.
Wat werd er in dat groepje gewerkt! Als ze het al niet kenden dan hebben die gezellen op Veterman’s kamer, of ergens op een atelier, geleerd, hoe heerlijk het is zich in iets in te werken en het dan uit te werken en het dan zoo te leeren beheerschen dat men het zeggen, dat men het uiten kan. (…)
Die Ghesellen spatten uiteen, ieder werkte door in eigen richting: Eduard Veterman bij v.d. Lugt en Fabricius, Mien Tels en Jan van der Linden bij Cor van der Lugt, Johan Carpentier Alting bij Verkade, Gerard Rutten doolde wat; onlangs was hij opeens weg.’ 

En Roggeveen werd lid van een amateurgezelschap.


naar Podiumjaren 4